Inburgeringsexamen
Sinds woensdag 15 maart 2007 moeten migranten uit Thailand over een minimum aan kennis van de Nederlandse taal en samenleving beschikken om zich (blijvend) in Nederland te kunnen vestigen. De Wet inburgering in het buitenland (Wib) verplicht Thaise migranten van 16 tot 65 jaar oud, alvorens zij in aanmerking kunnen komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV), op de Nederlandse ambassade te Bangkok een inburgeringsexamen af te leggen. Daarom geven wij voor Thaise migranten die Nederlands willen leren in Khon Kaen, lessen toegespitst op het inburgeringsexamen.
Het Examen
Bij het examen worden de basiskennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving getoetst. Beide examenonderdelen worden afgenomen door middel van een telefonische verbinding met een geautomatiseerd systeem.
Het examen bestaat uit de volgende twee delen:
In deel 1 wordt de kennis van de Nederlandse samenleving getoetst. Aan de hand van een boekje met afbeeldingen wordt telefonisch een aantal vragen gesteld. De vragen gaan over:
• Geografie en wonen
• Geschiedenis
• Politiek en grondwet
• Nederlandse taal en het leren daarvan
• Opvoeding en onderwijs
• Gezondheidszorg
• Werk en inkomen
In deel 2 wordt de kennis van de Nederlandse taal getoetst. Dit onderdeel bestaat uit :
Deel A: Nazeggen
Nazeggen. U hoort steeds een zin.Zeg de zin precies na.
Bijvoorbeeld:een stem zegt: dat is een mooi verhaal.
En u zegt: dat is een mooi verhaal.
Probeer niet alleen de woorden maar ook de manier van spreken precies na te doen.Spreek vlot,en aarzel niet.
Deel B: Vragen
U hoort steeds een korte vraag.Geef op elke vraag een antwoord.
Bijvoorbeeld: een stem zegt, als je thee zet,gebruik je dan heet water of koud water? En u zegt: heet water of heet
Of u hoort : een auto,heeft die twee wielen of vier wielen?
En u zegt: vier of vier wielen
Deel C: Nazeggen (hetzelfde als onderdeel A)
U hoort steeds een zin.Zeg de zin precies na.
Bijvoorbeeld: een stem zegt:dat is een mooi verhaal.
En u zegt:dat is een mooi verhaal.
Deel D : Tegenstellingen.
U hoort steeds een woord.U zegt het tegenovergestelde.
Bijvoorbeeld: u hoort hoog, dan zegt u laag.
Of u hoort niet , dan zegt u wel.
Onderdeel E: Verhalen navertellen.
U hoort een kort verhaal. U moet het verhaal navertellen.U krijgt daarvoor 30 seconde. Vertel zoveel mogelijk.Denk bijvoorbeeld aan :wie deden er mee ? wat gebeurt er?waar was het?en hoe liep het af?u moet twee verhaaltjes navertellen.
Voorbereiding op het examen.
Volg zoveel mogelijk lessen bij dutch4thai.
Gebruik studiepakketten en oefenexamens die u van ons krijgt zoveel mogelijk.
Geletterdheid en begrijpend lezen
In de GBL wordt gemeten in hoeverre je het Latijnse schrift beheerst en geschreven Nederlands kunt lezen en begrijpen. Het examenonderdeel bevat in totaal 55 items.
De GBL bestaat uit 5 delen:
1. Woordrijen oplezen. Je ziet in het toetsboekje vier rijen woorden en wordt gevraagd deze rijen hardop te lezen. De rijen bestaan uit acht woorden.
Voorbeeld: en, de, ook, bal, wil, zee, ham, boom.
2. Zinnen oplezen. Je ziet in het toetsboekje acht zinnen en wordt gevraagd deze hardop te lezen. De zinnen variëren in lengte tussen de 6 en 11 woorden.
Voorbeeld: Mijn zoon is een lieve jongen.
3. Teksten oplezen. Je ziet in het toetsboekje drie korte teksten en wordt gevraagd deze hardop te lezen. De teksten variëren in lengte tussen de 40 en 50 woorden.
Een voorbeeld: Tamar gaat naar de tandarts. Zij heeft pijn aan haar kies. Tamar is bang voor de tandarts. De tandarts kijkt in haar mond. Tamar heeft gelukkig alleen maar een gaatje. Ze is blij als de tandarts klaar is. Ze heeft nu geen pijn meer.
4. Zinnen oplezen en aanvullen. Je ziet in het toetsboekje 28 onvolledige items met elk drie mogelijkheden voor aanvulling. Je wordt gevraagd de zinnen hardop te lezen en uit de drie gegeven alternatieven het juiste woord te kiezen om de zin af te maken. Een item kan bestaan uit één of twee zinnen en bevat tussen de 7 en 23 woorden (inclusief de drie antwoordmogelijkheden).
Voorbeeld: Het is mooi weer. De zon … (loopt, regent, schijnt)
5. Vragen bij teksten beantwoorden. Je ziet in het toetsboekje drie korte teksten met vier korte vragen per tekst en wordt gevraagd tekst en vragen stil te lezen. De teksten variëren in lengte tussen de 52 en 84 woorden. Vervolgens hoor je de vragen en reageer je met een enkel woord of een kort zinnetje.
Voorbeeld: Mevrouw Jansen wacht samen met mevrouw Bol op de bus naar de stad. Er is vandaag markt in de stad. Elke week gaan mevrouw Jansen en mevrouw Bol samen naar de markt. Wat gaan ze vandaag kopen? Niets. Ze gaan naar de markt, omdat het leuk is. Dat doen ze elke woensdag.
Vragen:
a) Op welke dag gaat mevrouw Jansen naar de stad?
b) Hoe gaat mevrouw Jansen naar de stad?
c) Met wie gaat mevrouw Jansen naar de stad?